Een versplinterd politiek landschap: dat is waarschijnlijk de beste omschrijving van het resultaat van de verkiezingen van 15 maart 2017. Het is nu niet alleen lastig te voorspellen welke coalitie we krijgen, maar ook wat die met ons stelsel voor ziekte en arbeidsongeschiktheid gaat doen. Toch betekent dit niet dat werkgevers met de armen over elkaar moeten afwachten.

Wie de sociale zekerheid benadert als een vraagstuk van publiek of privaat verzekeren, krijgt waarschijnlijk wel die neiging. Maar achter deze benadering schuilt een fundamenteel onjuiste aanname. Het is niet de vorm van de verzekering, maar de kwaliteit van de uitvoering die het verschil maakt.

Niemand wil kiezen uit twee kwaden

Werkgevers die in de huidige onzekere situatie vasthouden aan de verzekeringsbenadering, hebben de keuze uit twee kwaden: stilstand of een onbestendige bedrijfskoers. De voorbije jaren hebben immers wel aangetoond dat er nauwelijks een vraagstuk denkbaar is dat zó gevoelig is voor politieke keuzes. Of bij de WGA en de Ziektewet publiek of juist privaat verzekeren verstandig was, wisselde de laatste jaren bijna net zo vaak als de inrichting van het stelsel. Het kabinet Rutte-II kon in 2016 zelfs maar ternauwernood een totale ineenstorting van de private WGA-markt voorkomen, door terugstappen in het publieke bestel onaantrekkelijker te maken en uitstappen heel gunstig. Nu zo onduidelijk is welke coalitie we krijgen en wat die met de sociale zekerheid gaat doen, levert de verzekeringsbenadering opnieuw grote onzekerheid op.

“ De kans dat een nieuw te vormen kabinet een alomvattend plan presenteert dat alle onzekerheid wegneemt, lijkt helaas niet groot. ”

Voortdurende onzekerheid dreigt

De kans dat een nieuw te vormen kabinet een alomvattend plan presenteert dat alle onzekerheid wegneemt, lijkt helaas niet groot. Wel is er bij vrijwel iedere denkbare coalitie grote kans op méér onzekerheid. Dit komt in de eerste plaats doordat nagenoeg alle partijen zich hebben uitgesproken voor beperking van de loondoorbetaling voor kleine bedrijven. Het voornaamste effect van zo’n maatregel is echter dat het stelsel complexer wordt, en dat is slecht nieuws voor de effectiviteit. De kostenstijgingen die hieruit voortvloeien, vergroten de kans op weer nieuwe stelselwijzigingen. En daarmee op nieuwe onzekerheid.

Stelsel vertoont fundamentele gebreken

Meer complexiteit is extra bezwaarlijk omdat het hybride stelsel voor met name de WGA toch al fundamentele gebreken vertoont. Critici wijzen al geruime tijd op de stelselmatige verstoring van de concurrentie tussen private partijen en het publieke UWV. Het is de bedoeling dat die concurrentie plaatsvindt op de kwaliteit van de uitvoering. Hier kwam de voorbije jaren echter weinig van terecht omdat UWV uitkeringen financiert met een omslagstelsel, terwijl private partijen zijn aangewezen op kapitaaldekking. Dit verschil leverde bij veel werkgevers een haast onweerstaanbare verleiding op om bij de WGA te kiezen voor het beste financiële resultaat op de korte termijn. Dit bepaalde de keuze tussen publiek en privaat, niet de vraag wie de beste re-integratie levert.

“ De stabiliteit van het sociale wordt ook ernstig bedreigd door het grote aantal onverzekerde zzp’ers en de ongelijkheid tussen flex en vast die hieruit voortvloeit. ”

De instabiliteit blijft

Het kabinet Rutte-II heeft kunnen voorkomen dat het hybride stelsel aan deze onevenwichtigheid ten onder ging. Ook heeft het gezorgd voor een grotere focus op re-integratie. Maar het fundamentele verschil is niet weg, en de instabiliteit dus ook niet. Neemt nu de complexiteit toe en de effectiviteit af, dan zal de politiek vroeg of laat nieuwe ingrepen (moeten) overwegen.

Ook zzp-kwestie verstoort de balans

De stabiliteit van het sociale wordt ook ernstig bedreigd door het grote aantal onverzekerde zzp’ers en de ongelijkheid tussen flex en vast die hieruit voortvloeit. De OESO schaarde zich onlangs bij de partijen die oproepen om hier snel iets aan te doen. Maar wederom is de uiteindelijke oplossingsrichting uiterst gevoelig voor politieke keuzes. De voorkeuren van politieke partijen variëren sterk: van niets doen (VVD) tot één basisverzekering voor alle werkenden (CDA). Dat er bij een coalitieakkoord een plan uit de bus komt dat voor blijvende stabiliteit zorgt, is dus ook hier allerminst zeker.

Draai het vraagstuk om

Zo leidt de verzekeringsbenadering telkens weer tot afhankelijkheid van de politiek en dus tot onzekerheid. Met zo’n instabiel kompas is een vaste bedrijfskoers uitstippelen amper mogelijk. Daarom is het beter om het vraagstuk om te draaien. Keuzes maken rond verzekeren is belangrijk en zelfs noodzakelijk. Maar deze keuzes zouden het sluitstuk moeten zijn. De eerste aandachtspunt hoort altijd uit te gaan naar de best mogelijke inrichting van de uitvoering. Ondanks al zijn gebreken beloont ons sociale stelsel een focus op het creëren en behouden van loonwaarde. Bij eigenrisicodragen is deze focus het gemakkelijkst te realiseren, maar ook voor werkgevers die bewust publiek verzekerd blijven is het lonend om actief de uitkeringslast te beperken. Zij ontvangen de beloning alleen pas twee jaar later via een lagere gedifferentieerde premie.

Zekerheid vraagt om goede uitvoering

Goede uitvoering – instroompreventie, re-integratie – betaalt zich altijd uit. Die gouden regel zal niet snel veranderen, welke coalitie we ook krijgen en wat die ook precies aan de sociale zekerheid mag veranderen. Een stabiele koers uitstippelen kan dus wel degelijk, ook in politiek onzekere tijden. Maar het vraagt wel om een andere benadering dan premies vergelijken.