De sociale zekerheid staat zelden stil, maar 2020 wordt helemaal een jaar van grote veranderingen. Dit geldt zeker voor de uitzendsector, die komend jaar te maken krijgt met de afschaffing van sectorverloning. Wij tellen twaalf wijzigingen die u in aanloop naar 2020 in ieder geval goed in het vizier moet hebben. Een overzicht.

1.     Sectorverloning verdwijnt
De ruimte om via de sectorindeling de hogere schadelast van de uitzendsector te ontwijken verdwijnt. Dit betekent dat uitzenders die nu nog sectorverloning toepassen met ingang van 2020 vooral voor de Ziektewet fors hogere premies gaan betalen. De verwachting is dat ze dit door moeten berekenen in hun tarieven en dat uitzendwerk dus duurder wordt. Hoe krachtig het effect is, blijkt wel uit het feit dat de nota gedifferentieerde premies 2020 van UWV premiemutaties van meer dan 3% signaleert (p. 18). Sectoren waaruit veel uitzenders verdwijnen, zien hun premies volgens UWV juist sterk dalen.

2.     Uitzendwerk levert hogere WW-premie op
Uitzendwerk wordt ook fors duurder doordat alle flexibele contracten voortaan een vijf procentpunt hogere WW-premie opleveren dan een vaste arbeidsovereenkomst. Wijken werkgever en werknemer bij toepassing van de lage WW- premie 30% of meer af van de contractueel vastgelegde uren, dan kan dit achteraf leiden tot herziening. Een min-maxcontract gaat tellen als oproepcontract; is dit een contract voor onbepaalde tijd, dan valt het toch onder de hogere WW-premie. Verder is na één jaar oproepwerk een contract voor ten minste het gemiddelde aantal gewerkte uren over de afgelopen 12 maanden verplicht. Is het nieuwe contract tijdelijk, dan levert het ook de hoge premie op. Zie voor uitgebreide informatie en rekenvoorbeelden het SZW Kennisdocument Premiedifferentiatie WW.

3.     Premielandschap verandert grondig
Door het vervallen van de sectorfondsen ontstaat een compleet nieuw premielandschap, met nieuwe wisselwerkingen tussen schadelasten en premies:

  • WGA-lasten verschuiven vanuit de sectorfondsen en het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) naar het Arbeidsongeschiktheidsfonds en gaan dus mede de Aof-premie beïnvloeden;
  • Ziektewetlasten in de sectorfondsen en het Ufo gaan naar de Werkhervattingskas en krijgen dus effect op de Whk-premie;
  • WW-lasten in de sectorfondsen komen voortaan ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds en bepalen dus mede de AWf-premie.

4.  Rekenpercentage Ziektewet en WGA vervalt
Grote en middelgrote werkgevers krijgen voortaan een individuele opslag of korting op het gemiddelde percentage in plaats van op het rekenpercentage. Dit leidt in de praktijk tot een lagere correctiefactor en tot hogere minimum- en maximumpremies.

5.     Ziektewet en WGA krijgen zuiverder premies
De fiscus berekent de gemiddelde premiepercentages en werkgeversrisicopercentages van (middel)grote organisaties voortaan alleen op basis van de schade en loonsommen van deze groepen werkgevers. Tot nu toe werden ook de cijfers van kleine werkgevers meegenomen, maar deze matigende factor verdwijnt. Omgekeerd is de schadelast van grote werkgevers voortaan geen factor van betekenis meer voor de hoogte van de sectorale premies voor de Ziektewet en de WGA. Tot nu toe was deze schade vaak juist van grote invloed, want de fiscus deelde de verwachte lasten en de verwachte loonsommen van álle werkgevers in de sector door elkaar. Nu gebeurt dit alleen nog met de verwachte lasten en loonsommen van werkgevers die daadwerkelijk een sectorale premie betalen.

6.   Fiscus rekent met gemiddelde loonsom over vijf jaar
Bepaalt de overheid de gemiddelde risicopercentages voor de Ziektewet en de WGA nu nog op basis van de gemiddelde loonsom in één jaar, straks gebeurt dit op grond van het gemiddelde over vijf jaar. De berekening is dan gelijk aan die van het individuele risicopercentage.

7.     Staartlasten eigenrisicodragers Ziektewet gaan naar de Whk
De kosten van uitkeringen die zijn ontstaan bij publiek verzekerde werkgevers die daarna eigenrisicodrager zijn geworden, komen voortaan ten laste van de Werkhervattingskas (Whk). In de praktijk heeft dit komend jaar een licht verhogend effect op de premies.

8. Transitievergoeding wordt verplicht vanaf dag één
Werkgevers zijn voortaan een transitievergoeding verschuldigd aan álle werknemers die zij ontslaan of geen contractverlenging geven. Dit geldt zelfs bij opzegging tijdens de proeftijd. Aan de andere kant gaat er een streep door de verhoogde transitievergoeding na tien dienstjaren. Voortaan is de vaste regel dat de werknemer recht heeft op een derde maandsalaris per gewerkt jaar. Het recht op een transitievergoeding geldt in principe ook bij uitzendwerk. De werkgever kan voorkomen dat hij een vergoeding moet betalen door aansluitend op een door hem beëindigde uitzendovereenkomst een nieuwe uitzendovereenkomst met de werknemer aan te gaan.

9.     Compensatie transitievergoeding langdurig zieke komt in zicht
Het heeft lang geduurd, maar vanaf 1 april 2020 kunnen werkgevers bij UWV een aanvraag indienen voor compensatie van de transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige ziekte. De regeling geldt voor transitievergoedingen die op of na 1 juli 2015 zijn betaald. Wie compensatie wil voor een al betaalde vergoeding, moet die wel binnen een halfjaar aanvragen.

10.     Keten tijdelijke contracten gaat weer naar drie jaar
Werkgevers mogen straks maximaal drie tijdelijke contracten in ten hoogste drie jaar geven voor er recht ontstaat op een vast contract. Hiermee keren we terug naar de situatie van vóór de invoering van de Wet werk en zekerheid (Wwz) in 2015. Wel nemen de kosten van tijdelijke contracten (fors) toe, zie punten 2 en 8. De regel dat alleen een onderbreking van meer dan zes maanden de keten doorbreekt blijft ongewijzigd. Wel komt er meer ruimte om per cao af te wijken van de basisregels.

11.   Ontbinding op meerdere gronden is weer mogelijk
Moet de werkgever nu nog één reden kiezen en beargumenteren, straks kan ook een combinatie van redenen grond zijn voor ontbinding van een contract. Hierdoor is meer maatwerk mogelijk. Maar de rechter kan hierbij wel een extra vergoeding aan de werknemer toekennen van maximaal 50% van de transitievergoeding. Volgens de Verzamelwet SZW 2020 is ontslagredenen combineren niet mogelijk bij ontslag wegens ernstige gewetensbezwaren. Al langer bekend was dat dit niet is toegestaan bij ontslag om bedrijfseconomische redenen en ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

12.     Fiscaal concurrentievoordeel zzp’er wordt kleiner
Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) zijn nu vaak goedkoper dan werknemers. Geldt voor de laatste groep verplichte afdracht van sociale premies, bij de eerste ontvangt de opdrachtgever feitelijk juist een fiscale stimulans. Zelfstandigen hebben namelijk recht op een zelfstandigenaftrek van (in 2019) maximaal € 7.280 en zetten die in de praktijk vaak in voor tariefverlaging. Het kabinet verlaagt de aftrek met ingang van 2020 stapsgewijs met € 250 per jaar tot hij in 2028 uitkomt op € 5.000.